Onverzadigde vetzuren en epilepsie

Epilepsie is aanvalsgewijs optredend abnormaal gedrag als gevolg van excessieve of hypersynchrone elektrische activiteit in de grote hersenen. Doordat signalen niet voldoende worden afgezwakt raakt het neurale cellulaire systeem overprikkeld en ontstaan aanvallen. Pas bij een herhaald optreden van dergelijke aanvallen spreekt men van epilepsie.

Epilepsie kent drie type verschijningsvormen:

De eerste, gegeneraliseerde epilepsie, is de meest bekende en tevens de meest ernstig aandoende vorm van epilepsie. Dit type aanval bestaat uit vier elkaar opvolgende stadia: de prodrome (bewustzijnsverandering ) voorafgaand aan de ictus, het aura vlak voor de ictus (vreemd gedrag, bijvoorbeeld klapperen met de tanden), de ictus zelf (dier raakt buiten bewustzijn en krijgt krampaanvallen waarbij ook de ontlasting vaak wordt laten lopen) en de postictale fase. Deze laatste fase kan seconden tot dagen duren, dieren slapen of zijn versuft of zijn juist extreem rusteloos en gedesoriënteerd. Ook tekenen van geheugenverlies of een verminderd zicht horen bij deze fase.

Het tweede type epileptische aanval is de partiële epileptiforme aanval. Deze aanvallen treden lokaal op en kunnen overgaan in een gegeneraliseerde aanval, maar dit hoeft niet. Tijdens dergelijke aanvallen kunnen dieren bij bewustzijn blijven.

Het derde type aanval is de meest levensbedreigende en omvat de clustering en de status epilepticus, waarbij in beide gevallen epileptiforme aanvallen elkaar binnen korte tijd opvolgen. In het geval van clustering lijkt het dier na iedere aanval nog in de post ictale fase te belanden en (kort) te herstellen, bij de Status epilepticus is deze postictale fase afwezig.

De oorzaken?
Epilepsie kent verschillende oorzaken die soms moeilijk te ontdekken zijn. Treedt de eerste aanval op relatief jonge leeftijd (tussen de 6 mnd en 5 jaar) op, is het dier tussen de aanvallen aantoonbaar gezond, worden er geen (neurologische) afwijkingen van het normale beeld gevonden en is er geen direct verband aan te tonen met beweging of voeding, dan wordt gesproken van primaire epilepsie.

Is de oorzaak van de epilepsie intracraniaal, al dan niet progressief, dan wordt gesproken van secundaire epilepsie. Stapelingsziekten, meningoencephalitis, een tumor, trauma, hypoxie, een bacterie of een ontsteking zijn bekende intracraniale oorzaken.

Wanneer de epilepsie een extracraniale oorzaak heeft, dan spreken we van reactieve epilepsie. Denk hierbij aan oorzaken als hypoglycemie, uremie, intoxicatie of een tekort aan bepaalde vitaminen.

Wat is er aan te doen?
Allereerst: epilepsie leent zich niet voor zelfmedicatie. Wat dierenbezitters zelf ook in willen zetten aan complementaire middelen, dit dient eerst met een neuroloog of dierenarts te worden doorgesproken.
Reguliere medicatie wordt veelal pas ingezet wanneer epileptiforme aanvallen een interval van minder dan 6 weken hebben en niet na de eerste aanval. Met daarop als uitzondering die dieren waar direct bij de eerste aanval een clustering optreedt. Reguliere medicatie bestaat voor een groot gedeelte uit barbituraten; zuurverbindingen met een sterk dempende werking op het centrale zenuwstelsel. Barbituraten worden ook wel gebruikt als slaapmiddel, kalmeringsmiddel of zelfs bij euthanasie. Van de dieren met epilepsie reageert een groot gedeelte (ca. 70%) goed op dergelijke barbituraten. De aanvallen worden minder hevig en/of minder frequent. Deze middelen kunnen echter wel bijwerkingen veroorzaken, welke zich voornamelijk uiten in slaperigheid, sufheid, een toename van de eetlust of een verandering van karakter. Ook kunnen dergelijke middelen een schadelijk effect hebben op de lever: dieren met een leverafwijking mogen dergelijke barbituraten dan ook niet gebruiken.